Naam : Gerrit Kouwenaar



Biografie

(Amsterdam, 1923) werd geboren als zoon van een journalist. In 1941 publiceerde hij in eigen beheer zijn eerste bundel gedichten. Voor zijn po?tisch werk ontving hij behalve alle belangrijke Nederlandse prijzen ook de driejaarlijkse Vlaamse Prijs der Nederlandse Letteren. Voor zijn vertalingen werd hij onderscheiden met de Martinus Nijhoffprijs.

Kouwenaar vond als dichter zijn eigen stem toen hij zich aansloot bij de Experimentele Groep Holland, waartoe ook de Nederlandse leden van de Cobra-groep - Constant Nieuwenhuis, Karel Appel, Corneille en Lucebert (dichter en schilder) - behoorden. Zijn eerste 'experimentele' dichtbundel, Achter een woord, verscheen in 1953. Hij voorzag in zijn levensonderhoud met het bespreken van boeken en het vertalen van toneelstukken (Brecht, Hochhuth, Goethe, Schiller, Rostand, Weiss, Carlino, Taylor, Sartre, D?rrenmatt e.a.).

Na zijn experimentele periode werd zijn po?zie hermetischer van karakter, getuige de bundel De stem op de 3e etage (1961). In de daaropvolgende jaren groeit zijn meesterschap in het vinden van eenvoudige vormen voor complexe betekenissen. Een geur van verbrande veren (1991) werd door de kritiek geprezen als een wonder van complexe helderheid. De dichter gunt zich geen tijd voor een blik omhoog, de hemel in, want: 'het vlees moet geschreven.'. En wel omdat niet de hemel, maar het vlees een consumptiedatum heeft, de houdbaarheid is beperkt. Het leeft hartstochtelijk, volop, want het leeft in de ontbinding.

De dichter beluistert in wat hij ziet, in wat hij zich in beelden herinnert, in al wat het leven belichaamt het enerverend getik van een delicaat mechaniek. Elke tik registreert hij als 'het ogenblik: terwijl', met de precisie van een horlogemaker. Maar het is, vreest hij, onbegonnen werk, want 'terwijl de libel nog nat van inkt / zijn letters ontvouwt op de geheven hamer' weet de libel al niet meer of hij leeft - 'terwijl het heden zijn stilstand herneemt.'

Kouwenaar is een dichter die een uniek idioom, een 'tussentaal' heeft ontwikkeld om het leven (de hevig stilstand van de beweging, het pikzwart van de helderheid en de oorverdovende stilte tussen de nauw hoorbare tikken) in taal stoffelijk te maken. Althans, bij wijze nog van spreken -'.

Gerrit Kouwenaar (Nederland, 1923) wordt gerekend tot de belangrijkste Nederlandse dichters van na de Tweede Wereldoorlog. Dat blijkt alleen al uit het feit dat hij naast talloze andere prijzen, ook de VSB Po?zieprijs kreeg en de PC Hooftprijs, de twee belangrijkste prijzen die er in Nederland met po?zie te winnen zijn. Hem en zijn werk recht doen in een korte inleiding als deze is welhaast ondoenlijk; zijn oeuvre bestaat inmiddels uit bijna achthonderd pagina?s gedichten (voor het grootste deel gebundeld in twee verzamelbanden), een drietal romans, een onafzienbare hoeveelheid (toneel)vertalingen. Er is en wordt op hem gepromoveerd, er zijn monografie?n en filmdocumentaires aan zijn werk gewijd, er zijn in de loop der jaren talloze interviews met hem verschenen waarin hij de meest uiteenlopende dingen over de dichtkunst heeft gezegd, en hij heeft ? wat men noemt ? ?school gemaakt?. Het is zelfs niet overdreven te beweren dat het landschap van de Nederlandse po?zie er zonder zijn werk anders zou hebben uitgezien.

Kenmerkend voor Kouwenaars invloedrijke po?zie is, dat zijn gedichten zich nadrukkelijk presenteren als ?dingen van taal?. Po?zie is van woorden gemaakt, niet van gedachten, gevoelens of wat dan ook. Dit uitgangspunt neemt niet weg dat zijn gedichten vaak een ongelooflijke emotionele lading hebben, die werkelijk door de taal en de woorden van het gedicht voelbaar wordt voor de lezer, getuige alleen al zijn laatste bundel totaal witte kamer, die ten dele een requiem is voor zijn overleden vrouw. Door Kouwenaars intense gebruik van ? wat je zou kunnen noemen ? het hele ?betekenisveld? van woorden of uitdrukkingen, trachten zijn gedichten de welhaast ?lichamelijke werkelijkheid? of ? zoals hij zelf vaak schrijft ? het ?vlees?, zo dicht mogelijk te benaderen. Het vlees wordt bij hem woord. Daarnaast zijn Kouwenaars ?talige? onderzoekingen naar wat tijdsverloop is en wat het teweegbrengt onge?venaard. In de taal van het gedicht wordt al het vluchtige en vergankelijke aanwezig gemaakt en stilgezet, en daarmee behouden. Kouwenaar: ?Het gaat in de kunst maar om een paar eenvoudige thema?s: liefde, dood, onrecht, schoonheid. Je wilt iets maken dat de tijd doorstaat. Niets is voorgoed aanwezig. Een goed kunstwerk is aan de tijd ontstolen, is die onbarmhartige tijd te slim afgeweest?. In Kouwenaars gedichten is het ?zo vandaag als altijd?. En dat zal het nog lang blijven.

Auteur: Erik Menkveld

Boekenarchief.nl